05-2007 | Slagwerkkrant
Jean-Paul Heck, fotografie: Fred van Diem en Victor Modderkolk


Roël Calister
Antilliaanse ritmes in een nieuw jasje


Velen kennen Roël Calister vooral als drummer-percussionist in de band van zijn zus, de begaafde Antilliaanse zangeres Izaline Calister. Op haar platen steekt hoij Anrtilliaaanse percussieritmes in een volstrekt nieuw jasje. Vorig jaar stal Calister de show tijdens een tournee door Aruba en Curaçao met prachtige solo’s die dicht tegen de tradirtie aanhingen. Met zijn nieuwe formatie Orange Grove bracht Calister onlangs debuut-cd Genuine Origins uit.

Roël Calister is geboren op Curaçao, maar hij woont al een poosje in Haarlem. Hier heeft de afgestudeerde econoom een goed lopende drumschool en tevens is hij een veelgevraagde drumcoach en workshopleider. De goed gebekte Calister is een kei in het vak. ‘Je moet ervoor zorgen dat 120 menswen, die dat meestal nog nooit hebben gedaan, binnen een uur staan te trommelen. Het is echt een uitdaging om dat voor elkaar te krijgen.’
Het is snel gegaan met Calister, die in 1996 zijn zus naar Nederland volgde. Ook zij studeerde economie. In Groningen behaalden beiden hun papiertje, maar de drang om Antilliannse muziek te spelen en te vernieuwen was groter. ‘Ik heb die studie netjes afgemaakt, maar ondertussendrumde ik wel bij mijn zus. Na mijn studie heb ik auditie gedaanvoor het conservatorium in Rotterdam en werd ook aangenomen. Daar heb ik nog vier jaar gestudeerd. In Curaçao had ik al drumlessen gehad en nu volg ik nog steeds regelmatig lessen bij Hans van Oosterhout in Breda. Van hem krijg ik zoveel informatie! Ook Jeroen de Rijk is heel belangrijk. Als je hoort hoe hij tamboerijn speelt! Van hem heb ik geleerd professioneel te zijn.’
Het zijn de mensen die Calister op weg hielpen in het jachtige Nederland.

Carnaval

Calister’s grootste leermeester is echter percussionist Pernell Saturnino. ‘Ik heb met hem gespeeld bij mijn zus, maar Pernell woont nu in New York, waar heij speelt met grootheden als Chick Corea en Paquito d’Rivera. Hij spoorde mij aan om mijn eigen stijl te ontwikkelen en de typische instrumenten uit Curaçao onder de knie te krijgen. Ik had natuurlijk al het nodige meegekregen vanuit het eiland en dat was een cadeautje.’

in Curaçao genoot Calister bijna logischerwijs een muzikale opvoeding, maar wel eentje van vrijheid en tolerantie. ‘Ik oefende elke dag met mijn rockbandje in de woonkamer. Dan speelden wij keihard in een ruimte van vier bij vier. Dat kon allemaal bij ons thuis. Heel de buurt kon het horen, maar er hing daar een stemming van: “Ach, gezellig die jongens.” Ik was er elke dag bezig met muziek. Vooral rond de carnavalsperiode, waarin het tumbafestival gehouden wordt. Dat is een competitie rond vrolijke Antilliaanse carnavalsliedjes. Ik ken elk winnend tumbanummer woord voor woord.

‘In Curaçao speelde ik met die songs mee en gebruikte conga’s, timbales maar ook de traditionele instrumenten, zoals de chapi en de barí, die ook wel tambú genoemd wordt. De chapi is een metalen hak waarmee landbouwgrond bewerkt wordt. Daarmee ga je in een met water gevulde bak soleren. Hierdoor is het mogelijk de meest waanzinnige geluiden tevoorschijn te toveren. Door het gebruik van water kun je de toonhoogte bewerken. Het zijn haast psychedelische geluiden die je hoort. Die manier van soleren is overigens ontwikkeld door Pernell Saturnino.’

Heimwee

‘Het gebruik van de hak is echt iets traditioneels. Het wordt vooral met Nieuwjaar gespeeld, met een soort van tamboerritmes. Het zijn allemaal slaginstrumenten die uit de slaventijd stammen. Ze pakten de instrumenten van de slaven af, en die hebben uiteindelijk hun gereedschap maar gebruikt. Zo gingen ze ook op sinaasappelkistjes trommelen, en dat ontwikkelde zich tot de cajón. Als trommels werden met geitenleer bespannen rumvaten gebruikt. Daar is uiteindelijk de tambú uit ontstaan. Overigens is tambú ook de naam van een eeuwenoude muziektraditie die door de slaven werd meegenomen. De ontwikkelde instrumenten zijn allemaal volwaardige instrumenten geworden. Niet alleen op de Antillen, maar ook in Brazilië en andere Zuid-Amerikaanse landen.’

Calister heeft zich behoorlijk verdiept in de traditionele Antilliaanse muziek en heeft vervolgens een manier gevonden om die traditie naar zijn hand te zetten. Dit maakt hem een veelgevraagd drummer en percussionist. Veel heeft hij hierbij te danken aan Saturnino. ‘Pernell zei altijd tegen mij: “Zorg dat je de basis van het instrument goed kent, maar probeer er daarna wat creatiefs mee te doen.” Volgens hem moet je op elk instrument, hoe klein ook, een solo kunnen geven.’

Tijdens de trip naar de Antillen werkte Calister samen met de talentvolle, jonge percussionist Rendel Rosario, die onder meer geweldig tekeerging op de tambú. ‘Rendel is met ons meegekomen naar Nederland, maar helaas alweer naar Curaçao vertrokken. Ik ben dus weer alleen. Jammer, want die jongen heeft in één pink meer talent dan ik in heel mijn lijf. Hij kon hier niet helemaal aarden en had verschrikkelijk veel heimwee. Maar ik ga twee keer per jaar naar Curaçao, dus dan spelen we daar samen.’

Waarom niet?

Voor iemand als Calister, die de Antilliaanse ritmes bijna vanuit de wieg meekreeg, is het soms moeilijk om zijn leerlingen de ritmes aan te leren. Dat is een gevoelskwestie, meent hij. ‘Het probleem is om zesachtsteritmes over te brengen. Hoe leg je dat uit? Halverwege haken de meesten af. Die tellen zo’n zesachtste toch vaak in drieën, terwijl wij het op de Antillen in vieren tellen. Wij zien het als vierkwartsmaat in vier groepen van triolen, en tellen gewoon in vieren af als we beginnen met zo’n ritme. Dat zijn de mensen hier niet gewend.’

‘De nummers van Izaline zijn ritmisch op zich vrij overzichtelijk, maar samen hebben wij ze verder ontwikkeld. Haar opdrachten zijn altijd duidelijk. Dan zegt ze bijvoorbeeld: “Je moet een mambo bedenken die je op de kachu (blaasinstrument van koehoorn; red.) speelt. Op dat moment denk ik: hoe ga ik dat in hemelsnaam aanpakken, want dat is niet echt gebruikelijk. Probeer bijvoorbeeld maar eens een tumba niet op timbales, maar op een drumstel te spelen; gewoon met snare- en bassdrum, waardoor het een lekkere backbeat krijgt. Weet je, alle Antilliaanse ritmes komen voort uit de percussietraditie, maar ik vertaal ze naar de drums.’

Daarbij krijgt Calister overigens graag input van andere muzikanten. ‘De meeste ideeën komen daarbij van niet-drummers. Drummers zitten toch vaak vast in een denkpatroon, terwijl veel muzikanten die geen drums spelen veel eerder denken: “Waarom niet?” Die vraag is vaak de start om een heel interessant, nieuw muzikaal concept te ontwikkelen.’

Op de fiets

Met zus Izaline heeft Roël Calister een bijzondere muzikale band. ‘We zijn de laatste jaren alleen maar dichter naar elkaar toe gegroeid. Ik ben wat milder dan zij, maar ik heb wel het een en ander van haar overgenomen. Zij ziet altijd heel snel hoe het wel of niet moet. Dat werkt, dus dat doe ik ook. In het begin hadden we wel veel ruzies en was ik nog steeds ‘het broertje’. Ik moest leren professioneel te zijn. Niet zo gek hoor, want ik ben tien jaar jonger dan lzaline.

‘Ik ben ook altijd de eerste die haar liedjes hoort, en door samen te brainstormen komen de ideeën dan vanzelf. Vroeger verzonnen wij veel op de fiets. Toen we in Groningen studeerden, gingen we drie keer per week met de trein naar Amsterdam om te repeteren met de band. En dan reden we vanaf het station op de fiets ernaar toe. Zij zong dan een nieuw melodietje en ik probeerde zingend en tikkend op de fiets de percussieritmes erbij te verzinnen.’

Onlangs bracht Calister met zijn nieuwe formatie Orange Grove de cd Genuine Origins uit. Een heerlijk zomers plaatje. ‘Bij deze plaat moet je simpel denken: zon, zee, strand en Malibu Pineapple. Het is een heel leuk project waarbij we alles zelfs doen. De band zit op dit moment in Sint Maarten om samen met Damian Marley (Bob Marley’s jongste zoon; red.) te spelen, maar ik kon niet mee omdat ik op dit moment een tourtje doe met de band Intwine. Het is een akoestische tour waarbij ik percussie speel. Maar het werk met lzaline blijft toch het belangrijkst, omdat zij in staat is om daadwerkelijk mijn grenzen te verleggen.’